De Grote Verwenning

la_grande_bouffe_pic

 

 

 

 

 

 

Wat doet welvaart van ons land met de Nederlanders?

Naar de antwoorden op die vraag heb ik in 2012 en 2013 een journalistiek onderzoek gedaan. Het begon als een boekproject – maar het liep uit op een bonte verzameling stukken, een filmserie, lezingen en debat. Het project is klaar, maar niet af. Daarvoor is de vraag natuurlijk veel te groots – en de betekenis nog steeds te controversieel…

Hier de bijdragen die ik schreef voor weblog Sargasso en de bijbehorende filmserie in De Balie.
En hier een interview met Avner Offer, hoogleraar economische geschiedenis, die ik in april 2013 ontving in de Utrechtse Geertekerk voor een gesprek over zijn boek ‘The challenge of affluence’, samen met Bureau De Helling.

Onder de streep hieronder mijn ‘manifest’ en twee van lezingen die ik in 2012 gaf.

(Op de foto: een scene uit La grande Bouffe, de filmklassieker uit 1973, die ik vertoonde in De Balie, met een voorgesprek met Hans Achterhuis)

 


 

Onderstaande tekst schreef ik als inleiding op De Grote Verwenning

1. de sprong

Ons leven is in de achttiende eeuw uitgevonden.

De leden van de hogere klassen – de elite – hadden een eigen huis, vaak met tuin. Ze stuurden hun kinderen naar school en die begonnen daarna een vervolgopleiding. Ze hadden vrije tijd en kwamen over het algemeen op tijd op hun afspraken, door de horloges die ze droegen en de trekschuiten die op tijd vertrokken (ze klaagden bij vertraging). Burgers die buiten de stad woonden, forensden – met de koets, dat wel. Ze dronken koffie om wakker te blijven. Ze bezochten restaurants met menukaarten. Ze werden ingeënt tegen de pokken en hadden huisdieren. Een geweldige bron over dat leven vormt het dagboek van Otto van Eck, die daar op tienjarige leeftijd onder druk van zijn door de Verlichting bezielde ouders aan begon, in 1791. Daar ontleen ik bovenstaande voorbeelden aan.

Dit leven wordt aan het begin van de eenentwintigste eeuw niet door een kleine minderheid geleefd, maar door een groot deel van de Nederlanders. Die moeten het wel zonder personeel doen. Dat is namelijk vervangen door technologie. De huidige Nederlanders zijn gezonder en worden ook een stuk ouder. Otto van Eck leefde in overvloed – maar hij overleed op zijn zeventiende, aan tuberculose.

De levensstijl van de absolute bovenklasse is van zo’n beetje iedereen geworden. Dat is een sprong die nog niet vaak is voorgekomen in de geschiedenis. Misschien is de sprong zelfs uniek. Wat alvast één reden is dat de Nederlanders niet goed raad weten met de overvloed waarin ze leven. Die sprong kwam uit het duister, zoveel is zeker. In de eerste jaren na het einde van de Tweede Wereldoorlog ligt Europa volledig in puin. En zeker tot eind 1947, de start van de Marshallhulp, had het lot van Europa heel anders kunnen uitvallen. De sprong is dus ook van vrij recente datum. Daarom kunnen veel Nederlanders hem traceren in hun eigen familiegeschiedenis.

Als de sprong ergens mee te vergelijken is, dan is het met de eerste helft van de zeventiende eeuw. Simon Schama schreef daarover het meesterlijke The Embarrassment of Riches, in de Nederlandse vertaling verschenen onder de tijdloze titel Overvloed en Onbehagen.

Schama schildert een jonge natie, die in een periode van een paar decennia zijn eigen identiteit uitvindt, en tegelijk het rijkste land ter wereld wordt. Cultuur en overvloed van de Verenigde Provinciën zijn dan ook niet zonder elkaar te begrijpen. De immense populariteit van verhalen en illustraties van schipbreuken in de zeventiende eeuw komt natuurlijk doordat de welvaart van de natie op zee werd verdiend. Maar die verhalen kregen gaandeweg extra gewicht: een schip werd een metafoor voor het land zelf. En het beeld van een schipbreuk werd een herinnering aan het feit dat de plotselinge rijkdom ook zo weer verdwenen kon zijn. De hartstochten die bij overvloed horen – afgunst, begeerte, luiheid – bedreigden die overvloed immers zelf. Gruwel- en heldenverhalen over zinkende schepen hielpen die hartstochten te reguleren. Een gestrande walvis is behalve een geweldig geschenk van traan en vlees ook een waarschuwing: de zee is onvoorspelbaar, net als het lot. En dus wemelt het in de zeventiende eeuw van de anekdotes en plaatjes van gestrande zeezoogdieren.

De huidige Nederlanders kunnen zo’n les in noodlotsbezwering wel gebruiken.

We zijn namelijk in crisis.

Maar in wat voor crisis eigenlijk?

2. de crisis

Als we het in Nederland tegenwoordig hebben over de crisis, dan bedoelen we de economische tegenspoed die een groot deel van de westerse wereld is overkomen nadat de Amerikaanse huizenmarkt instortte in 2008. Wat Nederlanders merken van die crisis was aanvankelijk nauwelijks aan te wijzen. Inmiddels weten we dat maar al te goed. Het is lastiger om geld te lenen, overal vallen ontslagen en de onzekerheid spat van de krantenpagina’s.

Je zou bijna vergeten dat er net een jaar eerder een andere crisis was uitgeroepen. Met een film onder de dreigend – bescheiden titel An Inconvenient Truth (2007) zette Al Gore schijnbaar eigenhandig de ecologische crisis van deze tijd in het centrum van de belangstelling: de klimaatverandering. Dat was al een crisis voordat Gore erover begon. En het is een crisis gebleven. Ook voor Nederland.

Beide crises zijn gekoppeld aan onze overvloed. Je zou kunnen zeggen dat ze ieder op een eigen manier de grenzen van onze welvaartsgroei lijken te markeren. De economische crisis lijkt een einde te maken aan de ‘normale’ groeicijfers die de Westerse landen lieten zien. Het effect is dat de zekerheden van onze materiële welvaart op losse schroeven komen te staan: de waarde van onze huizen en pensioenen. De ecologische crisis maakt zichtbaar dat groei altijd ten koste van iets gaat. Als het niet de arbeiders zijn, dan is het wel onze leefomgeving. En als het niet de onze is, dan is het er wel één aan de andere kant van de wereld.

De economische en de ecologische crisis hebben nog wat gemeen. De democratische politiek in West Europa heeft de grootste moeite om er antwoorden op te formuleren. Politici lijken met hele andere dingen bezig te zijn. Religie. Migratie. Nationale cultuur. Zichzelf. Ze zitten hoe dan ook klem tussen extreem complexe opgaven die ze zelf niet goed begrijpen en kiezers die onrealistisch simpele oplossingen verlangen voor op zichzelf reële problemen. De crises van de economie en van de ecologie maken zo nog een crisis zichtbaar, een politieke.

De oplossingen voor de crises hebben veelal te maken met wat we met onze welvaart gaan doen. Hoeveel leveren we in om de ecologische crisis het hoofd te bieden? In welke mate verbinden we het lot van onze verzorgingsstaat aan die van landen elders in Europa? Is groei belangrijker dan armoedebestrijding? Hoe ziet een politiek eruit die niet ‘meer’ belooft maar ‘genoeg’ voorschrijft? Die vragen zijn niet exclusief Nederlands, ze gelden voor heel Europa en deels voor de VS. De antwoorden die er in Nederland op worden gegeven, hebben een nadrukkelijk Nederlands karakter.

Een drievoudige crisis dus, die gaat over wat we met onze welvaart doen.

We weten alleen niet goed wat welvaart met ons doet.

3. conventional wisdom

Culturele en persoonlijke zelfanalyse is een populaire stijlfiguur in de media en een breed gedeelde Hollandse hobby. De paradox is dat de welvaart die de Nederlanders de tijd en de ruimte geeft om zichzelf te leren kennen, nauwelijks onderwerp is van al die analyses.

Denken en spreken over welvaart gebeurt vaak tegen een achtergrond van populaire publieke opvattingen. Daar moet je ‘doorheen’ als je op zoek bent naar de diepere lagen in de Nederlandse collectief onderbewuste. En tegelijk wijzen die opvattingen je de weg naar precies die lagen.

Populaire overtuigingen zijn geworteld in het verleden. Wrijving met de praktijk van het hedendaagse leven is niet gek, het is zelfs natuurlijk. Die altijd licht verouderd voelende overtuigingen vormen wel het richtsnoer voor beleid en beslissingen in bedrijf en politiek. En daar verandert het wrijven in wringen.

De econoom John Kenneth Galbraith introduceerde in The Affluent Society (1958) de notie van conventional wisdom. Dat is het geheel aan geaccepteerde ideeën over de economie en de maatschappij – ideeën kortom die kloppen met onze populaire overtuigingen, en die niet noodzakelijk gestoeld zijn op waarnemingen en feiten. The Affluent Society is één grote afrekening met de conventionele wijsheid die Galbraith waarneemt in de VS in de tweede helft van de jaren vijftig. Het is tot op de dag van vandaag een bestseller. Dat pleit voor Galbraith’s inderdaad geweldige intellect. Maar het illustreert ook dat conventionele wijsheid taai is.

Een hardnekkig en actueel voorbeeld van conventionele wijsheid is de mythe van autonome consumenten en de dienende, volgende producenten. Het creëren van vraag is in onze economie net zo belangrijk als het creëren van aanbod en beide behoren tot de kerntaken van bedrijven. ‘U vraagt, wij draaien’ is een sprookje, dat een mechaniek verhult dat ons geweldige welvaartsgroei heeft gebracht. Het sprookje staat begrip echter in de weg en maakt onze waarneming selectief. De zorgvuldig geregisseerde vraag van consumenten wordt verward met autonome nood bijvoorbeeld. Of we accepteren ten volle dat de productie van consumptiegoederen wordt betaald met door privépersonen geleend geld, overtuigd als die zijn geraakt dat ze die goederen daadwerkelijk nodig hebben. Terwijl armoede in Nederland (en elders in het Westen) onlosmakelijk is verbonden met niet terugbetaalde consumentenkredieten.

Het sprookje van de autonome consument benoemt bovendien de marktvraag tot belangrijkste graadmeter van wat de samenleving bezielt en nodig heeft. Geen wonder dat politici dus voortdurend in het duister tasten over wat hun kiezers willen. Wat ze weer niet weerhoudt om tegelijk gretig gebruik te maken van de marketingkennis van de grote bedrijven. De politiek als product en de burger als consument ervan – zonder twijfel lopen er hier in Den Haag politici rond die er zo over denken.

Politici zijn hoe dan ook meesters in het creëren van misstanden – de marktvraag van het politieke leven. Het wordt echter steeds lastiger misstanden te vinden.

4. de vis en het water

In 2008 vroeg de Franse president Nicolas Sarkozy aan de economen Amartya Sen, en Joseph Stiglitz om nu eens uit te zoeken wat de beste maatstaven zijn voor onze welvaart. ‘Uitzoeken’ is in dit verband meer ‘op een rijtje zetten’. Maar omdat Sarkozy het vroeg, en dan ook nog aan twee geleerden van wereldniveau, kreeg het rapport van de Commission sur la Mesure de la Performance Économique et du Progrès Social toch nog enig gewicht.

De commissie noemt acht factoren die bijdragen aan een goed leven van de mensen in een land. Gezondheid. Onderwijs. Persoonlijke activiteiten. Politiek & bestuur. Sociale relaties. Milieu. Persoonlijke veiligheid. Economische zekerheid.

Stel je een land voor dat op al die punten voldoende scoort, zeg een zeven-en-een-half op een schaal van tien.

In dat land genieten veel mensen een lang leven in een goede gezondheid. Ieder kind gaat naar school en zit daar het overgrote deel van zijn of haar jeugd op. De inwoners van dat land hebben veel kansen om hun eigen tijd in te delen, tijd, die maximaal voor een kwart besteed hoeft te worden aan werk. De politiek is toegankelijk, zowel in passieve als in actieve zin. Er is weinig corruptie. Vertrouwen speelt een grote rol in sociale en zakelijke relaties. De kwaliteit van de leefomgeving staat onder druk, maar regelgeving en nieuwe technologie zorgen ervoor dat het milieu stap voor stap beter wordt. De kans om het slachtoffer te worden van een misdrijf neemt af. Slachtoffers krijgen ondersteuning. Daders en verdachten genieten rechtsbescherming en rechters zijn onafhankelijk. Tenslotte stijgen de inkomens van de inwoners decennium na decennium. Het stelt een groot deel ervan in staat om huizen te kopen of betaalbaar te huren en naar believen in te richten, auto te rijden, mee te gaan met modetrends en bij vele gelegenheden cadeaus te geven. De kans om dood te gaan door ondervoeding is nul. De onzekerheden van het leven zijn beperkt. De inwoners hebben de ruimte en ze hebben de tijd.

Dit land lijkt nogal op het huidige Nederland – maar niet op de beschrijvingen ervan. De conventionele wijsheid van burgers, politici, journalisten en belangenbehartigers luidt immers nog altijd dat we in schaarste leven en de nood nabij is. De drievoudige crises produceert genoeg tijdelijke bevestiging van die wijsheid.

Toch zijn er uitgesproken stemmen die aandacht vragen voor de onhoudbaarheid van de notie dat we in schaarste leven. Paul Schnabel, directeur van het SCP stelde recent:

‘Vergelijkingen met het verleden laten zien welke ontwikkelingen we hebben doorgemaakt. Vergelijkingen met andere landen maken het mogelijk de eigen plaats te bepalen te midden van anderen. Beide vergelijkingen laten zien dat er weinig reden is om naar het verleden te verlangen of naar elders af te reizen. (…) Met de Noordse landen scoort Nederland op vrijwel elke subjectieve of objectieve beoordelingslijst heel hoog op de positieve waarden. Dat wordt te weinig gezien en dus ook te weinig gewaardeerd. ‘

Filosoof Peter Sloterdijk trekt het breder en vraagt zich in Schuim (2009) af:

Maar als het doorslaggevende verdringingsproces van onze tijd nu eens in werkelijkheid betrekking heeft op onze eigen welvaart?

De vis zal de laatste zijn om het water te ontdekken. We kijken overal, maar omdat de welvaart ons omhult, zien we haar niet. Dat geldt des te meer voor wat welvaart met ons doet. Zonder de erkenning van de uitzonderlijke weelde waarin we leven en zonder kennis van de effecten die die toestand op ons heeft, kunnen we geen keuzes maken over hoe onze welvaart er in de toekomst uit moet zien.

Tijd dus, om in het water te duiken en te onderzoeken hoe nat we zijn geworden.


 

 

The Bends

Onderstaande column sprak ik uit in een Balieprogramma over wat de crisis betekent voor de huidige generatie twintigers, september 2012.

Er doet over jullie, de generatie die eind jaren tachtig, begin jaren negentig is geboren, een tweetal verhalen de ronde.

Verhaal 1 is dat van de verloren generatie. De eerste sinds de negentiende eeuw die het slechter krijgt dan de generatie van zijn ouders. Opgegroeid met ongekende weelde, ongekende mogelijkheden, hoger en beter geschoold dan ooit, wereldwijs, boomlang en met voortreffelijke levensverwachting – maar met de slechtste vooruitzichten in decennia.

Want er is weinig meer te doen. En als je dan een baan krijgt, biedt die geen zekerheid en kun je van het salaris geen huis meer betalen. Jaren van onbetaalde stages dwingen je tot day jobs onder je niveau en het tot de laatste cent opmaken van je spaartegoeden – die je helemaal niet hebt, want anders had je geen torenhoge studieschuld gehad.

Dit is geen fantasieverhaal. Met twee uur vliegen sta je er middenin. Spanje kent 1,6 miljoen jonge werkelozen. En 52% van de mensen tussen de 16 en 24 is werkeloos. Een groot deel van hen zal hun studieschuld niet kunnen afbetalen en geen huis kunnen kopen. Een gezin stichten wordt te duur. Mannen en vrouwen van in de dertig gaan terug naar hun ouders. Het afgelopen jaar is een half miljoen Spanjaarden vertrokken naar een buitenland.

Verhaal 2 is dat van de verwende generatie. Opgegroeid met ongekende weelde, ongekende mogelijkheden, hoger en beter geschoold dan ooit, wereldwijs, boomlang en met voortreffelijke levensverwachting – maar slap, kwetsbaar en arrogant. Als kinderen van de eerste generatie die opgroeide met de verworvenheden van de jaren zestig zijn jullie onbegrensd opgevoed. En dat in een periode van ongebreidelde groei. Geen wonder dat jullie verdwalen in overvloed.

In de VS, waar de werkeloosheidscijfers beter zijn dan in Spanje, maar waar de crisis maar voortwoekert, verscheen vorig jaar ‚A Nation of Wimps’ – een Mietjesnatie. Het punt van dat boek: Jonge Amerikanen blijven hangen in adultescence, als afhankelijke pubers gaan ze hun volwassenheid in. Dat boek past in een hele reeks publicaties over de totaal verwende Generatie Y die daar nu opgroeit. Met dank aan de ouders die afwisselend ‚snowplow’, of ‚helikopter’ parents worden genoemd. Er is in de VS een hele industrie aan het ontstaan rondom het heropvoeden van problematisch verwende twintigers.

Stel dat beide verhalen kloppen, niet alleen in Spanje, of in de VS, maar hier, in Nederland.

Dan hebben jullie een groot probleem. Verdwaald in overvloed, in een periode waarin die overvloed op losse schroeven is komen te staan. Slechte vooruitzichten zijn voor niemand leuk. Maar ze zijn ronduit beschadigend voor mensen die niets anders kennen dan tot in de hemel groeiende bomen. Jullie zijn wat de Amerikanen zeggen stuck between a rock and a hard place.

Hoe waar zijn die verhalen?

Of jullie zullen eindigen als verloren generatie, moeten we nog zien.

Ondanks jullie tomeloze zelfvertrouwen en de vaste overtuiging dat jullie het centrum van de wereld zijn: dat is niet aan jullie.

Het is aan jullie generatiegenoten op de plekken die we in mijn tijd de tweede en de derde wereld noemden. En het is aan de politieke elite, bestaande uit mijn generatiegenoten, die het de komende jaren voor het zeggen hebben.

Wat ik wel weet, is dat we met zijn allen al jaren alle leuke lijstjes ter wereld aanvoeren. Onderwijs. Gezondheid. Inkomen. Mobiliteit. Geluk. En dat jullie nu al meer cadeautjes van Nederland hebben gekregen dan jullie generatiegenoten in India en China ooit zullen krijgen. Jullie zullen verloren zijn onder de best denkbare omstandigheden.

Dan het verhaal van de verwende generatie. In het kort: dat klopt dus. Jullie zijn de nation of wimps. Maar dat is helemaal het ergste niet. Dat was ik immers ook al, een wimp, in de jaren negentig. De G500 van toen heette Niet Nix – als je van je generatie moet zeggen dat heus wel niet niks bent, nou dan weet je het wel.

Maar jullie verwenning is weer een graadje erger.

Voor jullie is de crisis gewoon een nieuwe manier om te genieten.

En dat komt door hoe de moderne verwenning werkt.

Door te grote tederheid of toegeeflijkheid bederven.

Zo staat het in het woordenboek.

De voorbeeldzin erna luidt: ‘men mag zijn kinderen niet verwennen’. Grote tederheid en grote toegeeflijkheid bederven niet. Maar er komt een punt waarop de rot blijkbaar wel intreedt. De vraag is wat er zo slecht is aan heel veel van iets goeds. En: wat bederft er precies?

Als een kind net geboren is, kan het niks, en krijgt het alles. Als een kind volwassen wordt, moet het alles kunnen en krijgt het niks meer. Opvoeden is in die zin een combinatie van leren en afleren. Verwenning voorkomen is dus een vorm van verwachtingsmanagement. Als je niet op tijd leert dat een volwassen leven behalve uit tederheid en toegeeflijkheid ook uit hardheid en tegenwerking bestaat, stap je weerloos de wereld in.

Als je een kind teveel van het goede geeft, bied je hem of haar dus de verkeerde informatie. En het kind ‘bederft’ omdat het niet klaar is voor de ellende van het grote-mensen-leven. De stam van bederven, derven, zegt genoeg: het kind ontbeert een toekomst. In die zin hebben jullie de economie helemaal niet nodig om verloren te zijn.

Maar jullie geluk en jullie ongeluk is natuurlijk dat een modern Nederlands grote-mensen-leven helemaal niet uit tekorten bestaat.

Naast de pedagogische betekenis, heeft verwennen in de loop van de tijd ook een neutraler gebruik gekregen. De tweede omschrijving in het woordenboek luidt: te goed doen, met veel zorg en geschenken omringen. ‘Wat heb je me weer verwend met mijn verjaardag!’ is de voorbeeldzin. Deze verwenning hoort bij de volwassen wereld. De verjaardagsgast heeft uitzonderlijk uitgepakt met zijn geschenken, wil de jarige zeggen met bovenstaande voorbeeldzin, maar het gevaar van bederf is geweken.

Ook zintuigen en lichaamsdelen kunnen in deze betekenis verwend raken. Een verwende smaak, de verwende blik, verwende oren, verwende huid: ze zijn gewend aan veel van het goede. Deze verwenning zorgt niet voor bederf, maar helemaal positief is haar uitwerking ook niet. De verwende is dan wel hoog geklommen op de ladder van zintuiglijke of artistiek genot, maar genieten van een minder-dan-perfecte muziekuitvoering, maaltijd of bodylotion is lastiger geworden.

Dit is de letterlijke betekenis van wennen, namelijk ‘gewoon maken’. En dat is precies wat de ondernemer belooft die zegt: we gaan u verwennen. Hij gaat zoveel van het goede geven dat het gewoon gaat lijken. Het zijn geen busmaatschappijen die verwenning beloven, maar wel reisorganisaties. Geen groentewinkels, maar wel restaurants. Geen fysiotherapeuten, maar wel massagesalons. Vrijetijdsbesteding, uitgaan, de dingen doen die je normaal niet doet: in die niche werkt het blijkbaar om verwenning te beloven.

Hoe verschillend ook, de beloftes van het toprestaurant, de wellness-spa en het bordeel hebben een ding gemeen. Ze draaien de normale gang van zaken om. De klant leeft even in een droomwereld waarin niet schaarste de norm is, maar overvloed. Daarom maakt het verwenaanbod zo vrolijk, want je koopt niet alleen overvloed, maar ook de ervaring dat die niet meer ophoudt. De aantrekkingskracht van ‘all-you-can-eat’ formules is niet dat je daar dubbel zoveel kunt eten als in een gewoon restaurant, maar de krachtige illusie dat je een avond doorbrengt in een wereld zonder tekorten.

Het wonderlijke is, ik zeg het nogmaals, dat we allang in een wereld zonder tekorten leven. We doen alsof we in een wereld van schaarste leven, waardoor de overvloed exclusiever lijkt. We doen alsof we tekort komen, om onszelf periodiek te kunnen verwennen.

Nu terug naar jullie. Met een liedje.

Ik lig in het cafe, aan een infuus.

Praat tegen mijn vriendin, wacht tot er wat gebeurt.

Ik wou dat het de sixties was. Ik wou dat ik gelukkig kon zijn.

Ik wou, ik wou, ik wou dat er iets zou gebeuren.

Kennen jullie het? Dat zingt Thom Yorke in The Bends van Radiohead, 1995, het jaar dat internet groot werd.

En hij bedoelt: ik kom tekort, ik kom tekort, ik kom tekort. Als je de tekorten niet meer in wereld om je heen aantreft, dan zoek je ze immers van binnen. De moderne verwenning is alleen maar te lijf te gaan met de schaarste in jezelf. Die blijft altijd bestaan, en stelt je in staat om jezelf eeuwig te verwennen. Want je hebt het zo verdiend.

The bends, dat is caissonziekte. De ziekte die duikers krijgen als ze te snel stijgen. Ze krijgen belletjes in hun bloed, die vreselijke pijnen veroorzaken. Wie het heeft moet in een drukkamer. Wij, Thom Yorke, en ik en de andere X-ers, waren al besmet. Maar jullie lijden definitief aan de psychische variant.

Te snel gestegen, te snel omhoog, te vroeg gepiekt. Symptoom: een voortdurend verlangen dat er iets gebeurt. Jullie drukkamer: de crisis. Het verhaal van de verloren generatie komt jullie helemaal niet slecht uit. Geen keuzestress meer – er valt niks meer te kiezen. Geen verveling meer – ga eens wat doen man. Stop het zoeken naar het Grote Verhaal – drama genoeg.

Gefeliciteerd dus. De kans dat jullie voor het eerst van je leven iets tekort komen, stijgt met de dag. En nu maar hopen dat het geen verhaal was, maar dat jullie echt verloren zijn.

 

 


The Kingdom of Survival

 

Onderstaande column schreef ik als inleiding bij de film The Kingdom of Survival die de Balie Cinema in het voorjaar van 2012 vertoonde.
The Kingdom of Survival is een diep romantische film.

Romantisch niet in de zin dat het een meeslepend verhaal over sentimentele liefde vertelt. Maar romantisch als in het levensgevoel dat eind achttiende eeuw, begin negentiende eeuw ontstond, en daarna soms als bovenstroom maar voortdurend als onderstroom ons culturele en mentale leven heeft beïnvloed.

De romantiek zit in de verhalen van de hoofdpersonen, die allemaal op hun manier in de contramine zijn. Het zit hem ook in de structuur van de film. Filmmaker A. M. Littler is op zoek, hij wordt voortgedreven door een al jong ervaren gevoel van misplaatstheid. Daar past een roadmovie bij.

The Kingdom of Survival gaat uit van de gedachte dat achter de alledaagse werkelijkheid andere realiteiten schuil gaan. Onzichtbaar voor niet-ingewijden. Kennis ervan is bedreigend voor de status quo. En dus ook omringd door de geur van gevaar. Dangerous minds. Ik zal niks verklappen. Laat u verrassen.

Maar vooral los van de inhoud spreekt The Kingdom of Survival me aan: ik krijg er een kick van, een rush, als er achter het grauwe kleed van alledag een echtere, betere, waardere werkelijkheid lijkt schuil te gaan. Ik noem het een rush – want het beklemmende, angstig of meeslepende gevoel iets letterlijk te ontdekken, is niet blijvend. Ga maar na. Of die werkelijkheid blijkt er inderdaad te zijn en dan verandert hij na verloop van tijd in nieuwe grijze realiteit. Of het blijkt vals alarm, het blijkt een bekend verhaal, of een slecht verhaal, niet in staat lang te boeien of je leven te transformeren. En dan speelt direct het verlangen op, de craving naar een nieuwe rush.

Mijn rush is die van iedereen. Daar draait dit en alle andere filmtheaters ter wereld op. We hebben geen zin om naar de film te gaan. We hebben zin om naar een nieuwe film te gaan.

Ik krijg ook een rush van de Duitse filosoof Peter Sloterdijk, althans van zijn boeken. Ook die grossieren in woeste realiteiten die nog niemand was opgevallen.

De Decamerone van Boccaccio is de moeder van de moderne media!

De gasaanvallen in de eerste wereldoorlog vormden de start van het milieuactivisme!

Religie bestaat niet en heeft nooit bestaan, het zijn altijd oefensystemen geweest!

We zijn de nood definitief voorbij in het westen – en dat is tegelijkertijd ons grootste taboe!

Het is die laatste observatie die me al maanden weet bezig te houden. Ik ben nog niet gewend aan de gedachte, blijkbaar. Sloterdijks observatie heeft me aan De grote verwenning doen beginnen, een onderzoek naar wat de welvaart van Nederland doet met de Nederlanders. Je kunt het volgen, op degroteverwenning.net. Ik heb met De Grote Verwenning een doos van Pandora geopend; het levert me we weer een hele hoop nieuwe ontdekkingen met de bijbehorende rush op.

Een van die ontdekkingen wil ik vandaag met jullie delen. De Engelse godsdienstsocioloog Colin Campbell zette me op het spoor ervan, met zijn sublieme boek The Romantic Ethic and the Spirit of Modern Consumerism, 25 jaar oud, maar nog steeds wonderlijk actueel.

Het beeld dat ik net schetste, van mezelf, van ons, als filmkijker, zullen velen herkennen. We kunnen de beschrijving van het bijbehorende mentale proces – van verlangen naar zoeken, naar vinden, naar ondergaan, naar bevrediging, naar nieuw verlangen – schijnbaar eindeloos dupliceren. We bevinden ons de hele dag in verschillende stadia van dat proces. We zijn moderne consumenten en dat zijn we als cultuur.

Hoe is dat zo gekomen?

Waar komt die eindeloze herhaling vandaan, van verlangen naar bevrediging naar verlangen. Waarom zijn we nooit echt tevreden, hoe zijn we terecht gekomen in de allesomvattende zoektocht naar nieuwe ervaringen, nieuwe producten, nieuwe realiteiten, terwijl onze basisbehoeften aan veiligheid en voedsel royaal zijn bevredigd?

Er zijn verklaringen die het aan de aard van de mens wijten. Er zijn er ook die de schuld aan de industrie en het grootkapitaal geven – die planten de verlangens in onze hoofden. Deze laatste verklaring is onlosmakelijk verbonden met de romantische overtuiging dat we onszelf moeten bevrijden.

Colin Campbell voert ons voor zijn verklaring terug naar de achttiende eeuw. En dat is terecht want veel van hoe we nu leven is in de achttiende eeuw uitgevonden.

De leden van de hogere klassen – de elite – hadden een eigen huis, vaak met tuin. Ze stuurden hun kinderen naar school en die begonnen daarna een vervolgopleiding. Ze hadden vrije tijd en kwamen over het algemeen op tijd op hun afspraken, door de horloges die ze droegen en de trekschuiten die op tijd vertrokken (ze klaagden bij vertraging). Burgers die buiten de stad woonden, forensden – met de koets, dat wel. Ze dronken koffie om wakker te blijven. Ze bezochten restaurants met menukaarten. Ze werden ingeënt tegen de pokken en hadden huisdieren.

De achttiende eeuw, dat is de eeuw van de verlichting. de eeuw waarin de rationaliteit, de wetenschappelijke methode, het nutsdenken de boventoon ging voeren. De eeuw waarin de moderne staat, de moderne bureaucratie, de industriële revolutie ontstaan. In de achttiende eeuw startte wat de socioloog Weber zo mooi noemde de onttovering van de wereld. Bepaald niet de periode waarin je het ontstaan van onze moderne verslaving aan kicks zoekt.

Maar parallel aan de onttovering van de wereld begon de ontdekking van onszelf. We ontdekten dat we emoties hebben, dat we ze konden opwekken los van de (on)heilsboodschappen van de kerk. Liefdesromans en Gothic Novels vonden gretig aftrek – we ontdekten dat angst, verdriet en verlangen emoties zijn die lekker kunnen zijn om te voelen. We gingen dagboeken schrijven – de observaties over de restaurants met menukaarten en de trekschuiten die op tijd vertrokken komen uit het dagboek dat Otto van Eck, een veelbelovende jongen uit Voorburg, in 1791 begon. We gingen onze dromen zichtbaar maken, voor onszelf om te beginnen. We ontdekten dat we onze eigen fantasieën konden maken, inclusief de bijbehorende gevoelens.

De eeuw van de rede was daarmee ook de eeuw van de dagdroom.

En bij de dagdromen moeten we zijn.

Want wat doen we als we dagdromen? We stellen ons een andere werkelijkheid voor, een mooiere, betere. Maar omdat we dat bewust doen, kunnen we die vergelijken met de wereld om ons heen. Dus kunnen we fantaseren over de realisatie van die droom. En dat is opwindend – of het nou over seks gaat, of over onszelf, of over onze omgeving: als de belofte van de realisatie van een droom wordt ingelost, krijgen wij een rush.

De eeuw van de dagdroom produceert twee karakteristiek moderne figuren, die beiden specialist worden in het opwekken van opwinding: de romanticus en de consument.

De romanticus, van Jean Jacques Rousseau tot Jimi Hendrix en van de Junge Werther tot Robert Jasper Grootveld, maakt zijn dagdromen tot het centrum van zijn bestaan. Zijn dagdromen laten hem dingen voelen die hij in het dagelijks leven niet zou voelen. Met zijn dagdroom viert de romanticus de creativiteit die voor hem de kern van zijn mens-zijn uitmaakt. De romanticus weet dat hij leeft, door de angst, de craving, de extase die de belofte van de dagdroom met zich meebrengt.

De consument geniet van de dubbele rush – de fantasie dat een droom werkelijkheid wordt en het daadwerkelijk realiseren van die droom. De dagdromen van de consument gaan over hemzelf, hij is de hoofdpersoon in een zelfgeschreven verhaal. En om de rush van de realiteit ervan te ondervinden, zoekt hij bevestiging door de acquisitie van stukjes buitenwereld. Kopen heet dat. Terecht wordt vaak opgemerkt dat de bevrediging van een aankoop vergankelijk is. Dat komt niet doordat dat product verandert nadat je het hebt gekocht, maar omdat de dagdroom nooit helemaal werkelijkheid wordt – en omdat dagdromen maken geen kosten met zich meebrengt. In ons schuilt een dagdroomfabriek die nooit dichtgaat.

Consumentengedrag is niet alleen kopen, het is ook heel veel kijken. Window shopping is een manier om de dagdromen op peil te houden. Dat verklaart ook de centrale rol die mode en trends spelen in onze consumptiecultuur. Want je dagdromen over de liefde kun je in een stedelijke omgeving immers op een eindeloze rij vreemden projecteren. Maar die variëteit moet in het geval van producten speciaal gecreëerd worden. Vandaar de voorjaarscollecties, de zomertrends en de najaarsaanbiedingen.

De romanticus bekritiseert de Industriële revolutie, de consument maakte hem mogelijk. Voor inspiratie voor zijn dagdromen gaat de consument te rade bij de levensstijl van de authentieke romantici – die ernstig neerkijken op dat kopieergedrag. De ware romanticus ontvlucht de materialistische tredmolen. Hun nauwe verwantschap betekent nog niet dat consumentisme en romantiek elkaar makkelijk weten te vinden.

Maar in de tocht van Littler duiken ze samen op. De film heeft niet alleen de stijl, maar ook de structuur van een goede commercial. Het is een tocht naar verlossing, niet in de zin van een stap voor stap verlichting, maar van dagdroom naar dagdroom, van bevrediging naar bevrediging, rusteloos, tot hij zegt thuis te komen. Ik laat het aan jullie over of dat voor de kijker een bevrediging oplevert.

De historisch intieme band tussen consument en de romanticus zegt iets over een vrij recente uitgave van die laatste en dat is de activist. In The Kingdom of Survival worden de hoogtepunten van het moderne activisme mooi aan elkaar geregen: Hippie, Punk en de bloei van de afgelopen jaren. Activisme, als loot aan de romantische stam, komt niet voort uit de behoefte om iets teweeg te brengen, maar uit het verlangen naar de realisatie van een dagdroom. De aanwijzingen daarvoor zijn overvloedig. Activisme is een levensstijl, en het is dan ook niet verwonderlijk dat een beweging als Occupy niet alleen zoveel doelstellingen heeft, maar ook dat de mensen achter Occupy al een heel activistisch CV in de zak hebben – gevuld met de dagdromen van gisteren. Hoe ellendig de politie in veel Amerikaanse steden zich ook gedroeg afgelopen najaar – de beweging had het nodig. De dagdroom Wall Street daadwerkelijk op de knieën te dwingen, kon niet zonder de rush die bij pepperspray en politiehelmen hoort. Activisten hebben het beste met de wereld voor – het zijn hooggestemde dagdromen. Mogelijk zorgt dat voor een extra rush.

Maar het gedeelde dagdromen-DNA biedt ook een ander uitzicht op de moderne consument.

Kritiek op de consumptiemaatschappij komt veelal neer op de afwijzing van het materialistische karakter ervan. Degenen die zich er van afkeren, of het nou fascisten, marxisten, gelovigen of GroenLinksers zijn, bepleiten altijd een post- of antimaterialistisch alternatief. Maar dat is besides the point. Consumptie is nooit materialistisch geweest; het is via onze dagdromen altijd ten diepste verbonden geweest met onze aspiraties, zelfbeelden en idealen. Het kopen van spullen biedt ons het plezier van het tijdelijk en lokaal realiseren van een droom. De kern van ons consumentengedrag is niet de hebzucht, maar de zucht naar de rush.

De werelden van consumptie en activisme beginnen te mengen. De expres lelijke Vrekkenkrant van vijftien jaar geleden is de uitbundig vormgegeven Happinez geworden – postmaterialistische content in een stralend materialistische verpakking. Ik was afgelopen najaar in Washington en Baltimore. Naast het nog kleine Occupy-kampje in de laatste stad zat een Urban Outfitters. De t-shirts, de spray paint, alles was er te koop. Het kamp in Washington was een markt – een markt van dagdromen. In de recente Kony2012-campagne is het onderscheid tussen activist en consument al helemaal verdwenen.

In The Kingdom of Survival wordt niet verwezen naar die ontwikkeling. Maar het is er wel een exponent van.

Koester je rush tijdens het kijken. En wantrouw hem tegelijk.

Met dank aan Dirk van der Straaten, de onvermoeibare filmprogrammeur van De Balie en Chris Pazzaglia.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s