De ware kunstenaar

Ik raakte op de Twitters met Thijs Kleinpaste in discussie over dit opinieartikel in de Volkskrant. Een paar dingen op een rij, voor mezelf en voor Kleinpaste, in wat meer tekens dan 140.

In het opinieartikel rekent componist John Borstlap af met de cultuursubsidiecultuur van Nederland. Het lastige is dat hij zichzelf als voorbeeld neemt: in de klassieke traditie werkende componisten als hijzelf maken maar weinig kans op ondersteuning door de overheid. Daardoor lijkt het het hele stuk lang alsof hij het systeem vooral stom vindt omdat hij er zelf niet van profiteert. Dat hij alle gesubsidieerde kunst van de afgelopen decennia diskwalificeert draagt ook al niet bij aan de kracht van zijn verhaal.

Maar, zoals Thijs Kleinpaste opmerkte: je kunt nog altijd reageren op de inhoud.

En met in ieder geval een punt van Borstlap ben ik het roerend eens: over de kwaliteit  van kunst zouden meer mensen moeten meepraten dan alleen experts uit de cultuursector – bijvoorbeeld het publiek. Thije Adams schreef daarover een mooi boekje en een puntig essay (PDF). Kleinpaste repliceerde:

‘vind ik een te beperkt perspectief. Essay lijkt ervan uit te gaan dat er een spanningsveld is tussen kwaliteit en draagvlak’

Ik vind dat Adams ook een beperkt perspectief heeft, maar dat is juist goed. En dat heeft te maken met dat waarvoor draagvlak nodig is: namelijk voor overheidsondersteuning van de kunsten. Kunst zelf heeft geen draagvlak nodig, maar publiek en een markt, al zal dat laatste niet voor iedereen gelden.

De relatie tussen kwaliteit en draagvlak is ingewikkeld en gespannen. En dit zal in de komende jaren steeds meer voorop staan: de overheid – die van ons allemaal is – geeft geld uit aan kunst en dus gaan ‘wij allemaal’ over wat kwaliteit is en wat niet. Hoe dat gestalte gaat krijgen is een andere vraag. En of het betekent dat traditionele componisten en figuratieve schilders wel ondersteuning krijgen, is volledig ongewis.

Het gebeurt regelmatig dat kunst hoge kwaliteit heeft en ook ‘draagvlak’ heeft – waarbij ik er vanuit ga dat Thijs Kleinpaste het niet zozeer over ‘subsidiabel’ heeft, maar over ‘populair’. Kleinpaste noemt in dat verband Rembrandt van Rijn. Maar of dat nou zo’n goed voorbeeld is? Want die bediende een markt, halverwege de zeventiende eeuw, runde zijn tent op zo’n manier dat hij failliet ging en werd vervolgens 150 jaar vergeten. Zijn donkere dramatiek had even geen draagvlak in de Eeuw van de Verlichting. Pas in de negentiende eeuw begon zijn status weer te groeien.

Het gesprek over wat kwaliteit is, houdt nooit op, wil ik maar zeggen. Alleen praten er in elk tijdvak weer andere mensen mee. Mijn indruk is dat John Borstlap vooral mensen voor ogen heeft die hem zijn stipendium gunnen. Maar dat is denk ik teveel gevraagd.

UPDATE: Met dank aan Thijs: dit is het artikel waarin twee economen uitrekenen of subsidies grote kunstenaars afleveren. (PDF)

 

Advertentie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s